Auteur

Berck

Berck, geboren op 3 mei 1929 in Leuven, is verzot op de Amerikaanse comics, die hij in zijn jeugd ontdekt: "Dick Tracy", "Red Ryder", "Flash Gordon" en "Mickey Mouse". Zijn eerste verhaal wordt een parodistische biografie van Hitler. Deze parodie en een fors aantal eerder pogingen vernietigt hij echter wanneer de Duitsers België binnenvallen, en hij besluit wijselijk de politieke satire in de toekomst maar te mijden.

Hoewel zijn ouders niet bemiddeld zijn, mag hij zich aan het eind van de oorlog toch inschrijven aan de kunstacademie van Leuven en later in de Sint- Lucasacademie in Brussel. Ze hopen dat hij er voor de architectuur zal kiezen. De jongeman heeft zijn keus echter al bepaald. Om in zijn onderhoud te voorzien, treedt hij op zijn achttiende in dienst van het Jezuïetenklooster in Leuven, waar het missionarisblad Pro Apostolis wordt gemaakt. Hij hoopt er ooit de oude illustrator op te volgen.

Van 1948 tot mei 1952 bekwaamt hij zich in het werk door alle grafische karweitjes op te knappen die het tijdschrift met zich meebrengt. (Hij zal de boeken van zijn beschermheren, de Jezuïeten, trouwens tot in 1956 blijven illustreren.)

Na een eerste afwijzing van zijn werk door Kuifje in 1949, besluit hij zich buiten het klooster verder te bekwamen. Tot in 1956 werkt hij voor een katholiek persagentschap, dat korte getekende biografieën bij hem bestelt. Hij haalt ook een opdracht binnen van een Antwerpse uitgeverij om een zestal kinderboeken te illustreren. Deze uitgeverij zal van 1954 tot 1958 van zijn diensten gebruikmaken.

In 1957, na een nieuwe poging bij de redactie van Kuifje, komt hij via de achterdeur bij Lombard binnen, en wel via het nieuwe reclamebureau, Publiart, waar Jean Graton een halve baan heeft. De Breton en de Vlaming wisselen hun ervaringen uit. Berck, die gespecialiseerd is in gewassen tekeningen en waterverftekeningen met heldere kleuren, neemt dit soort werk voor Line en Kuifje af en toe van zijn kameraad over, en krijgt zo zijn eerste lessen in het maken van strips. Hij profiteert daar al snel van om reclamestrips en - albums te maken voor het bureau ("Polochon dans la Pampa", "Le Grenadier Victoria", "Vic et Rio", "Les Frères Cha-Cha").

Hij is nu bij Kuifje binnen en klopt in 1958 bij de redactie aan met een amusant personage, een taxichauffeur. René Goscinny levert de scenario's van "Pechvogel" tot in 1964. Het succes van Pechvogel stelt de tekenaar in staat nieuwe figuren te lanceren met de scenaristen Yves Duval en Jacques Acar ("Rataplan", "Viva Panchico", "Ken Krom" en "Lady Bound"). Beiden verenigen zich vaak onder één naam en nemen de avonturen van "Pechvogel" na het vertrek van Goscinny over. In 1967 besluit Berck over te stappen naar Dupuis.

Maar Berck is geen man van één reeks. Hij heeft weliswaar geweigerd over te stappen naar Studio Vandersteen (Suske en Wiske) en daar een groot deel van de dagelijkse productie over te nemen, maar hij is wel een systematische werker, die altijd op tijd zijn werk inlevert en drie tot vier albums per jaar kan produceren. Na een poging te hebben gewaagd bij Pilote in 1963, beseft hij dat zijn talent meer gewaardeerd wordt in Nederlandstalige publicaties. Hij begint op regelmatige basis te werken voor de weekbladen van Averbode (Zonnekind en Zonneland. Verscheidene episodes worden ook overgenomen door hun Franse broertjes Dorémi en Tremplin), waarvoor hij tot in 1976 tal van verhalen zal maken.

In 1969 lanceert hij met scenarist Daniël Janssens een dagstrip over de prehistorische reus "Lombok" in de Gazet van Antwerpen, en maakt na drie episodes ook verhalen voor het Nederlandse weekblad Eppo: "De Donderpadjes" (vier episodes rond deze slimme scouts, van 1971 tot 1974) en daarna "Lowietje" ("Lou", waarvan Raoul Cauvin het scenario van het tweede tot en met tiende deel, verschenen van 1975 tot 1983, anoniem op zich nam). Van 1972 tot 1974 creëert hij bovendien voor de Duitse markt en het blad Fix und Foxi een humoristische SF-reeks genaamd "Mischa", een lange saga met tal van anonieme medewerkers (Cauvin, Bollen, De Gieter en Francis).

Bij Uitgeverij Dupuis illustreert hij eerst twee afleveringen van "Mulligan", de baas van een sleepboot, bedacht door Yvan Delporte en Raymond Macherot. Cauvin vervult zijn grote wens door hem te vragen voor de avonturen van twee lijfwachten, Sammy Day en Jack Attaway. Van 1970 tot 1994, het jaar waarin hij met pensioen gaat, produceert hij eenendertig "Sammy"-albums. Daarna geeft hij de reeks aan Jean-Pol over. Het succes van de serie leidt ertoe dat hij geleidelijk stopt met zijn productie voor de Nederlandstalige markt.

Tot zijn assistenten rekende Berck Bédu, Armand Sorret, Léo Loedts, Hurey en W. Ophalvens. Zijn dochter Lut is lange tijd zijn inkleurster. Berck is een gelukkig mens, die zich nu onledig houdt met het lezen van historische studies, het onderhouden van zijn tuin en het maken van reizen met zijn vrouw. Hij richt zijn vrije tijd in zoals hij het ook met zijn werk deed: systematisch.